Echtscheidingswet en residentieel ouderschap

De nieuwe echtscheidingswet en de (stief)moeders

Op 1 maart 2009 is de nieuwe echtscheidingswet van kracht geworden. Als ouders willen scheiden moeten zij de rechter eerst een ouderschapsplan voorleggen. Daarin moeten duidelijke afspraken staan over de woonplaats van de kinderen, het contact met beide ouders, de opvoeding en de verzorging, en de betaling daarvan. Bovendien staat ‘gelijkwaardig’ ouderschap centraal en het recht op en de plicht van contact tussen kinderen en beide ouders. Kortom: men scheidt als partners maar niet als ouders.

Via Postbus 51 is een (gratis) uitgebreide brochure verkrijgbaar ‘Uit elkaar ……… En de kinderen dan?’ Hierin wordt duidelijke informatie gegeven over alle stappen die genomen moeten worden bij een scheiding. Inclusief – natuurlijk – een hoofdstukje over nieuwe relaties en nieuwe gezinnen. Na verloop van tijd komt er immers in ongeveer de helft van de eenoudergezinnen een stiefouder binnen. Dat zijn in verreweg de meeste gevallen stiefvaders (85%); stiefmoeders zijn dus in de minderheid (15%). De nieuwe wet benadrukt de gelijkwaardigheid van moeders en vaders na scheiding, inclusief meer zorg- en opvoedtaken voor vaders. En dat betekent waarschijnlijk dat er in de toekomst ook meer vadergezinnen zullen komen. Een trend die ook in Amerikaans onderzoek wordt gesignaleerd: de ‘gendergap’ (veel meer eenmoedergezinnen dan eenvadergezinnen) wordt waarschijnlijk kleiner.

Meer eenvadergezinnen betekent voor de toekomst ook meer stiefmoeders. Dus een groeiend aantal kinderen dat te maken krijgt met twee moeders: een stiefmoeder en een biologische moeder. Van oudsher was dat vaak een inwonende biologische moeder en een uitwonende stiefmoeder.  De omgekeerde situatie: een inwonende stiefmoeder en een uitwonende biologische moeder zal steeds meer voorkomen. Veel empirisch onderzoek naar de relatie tussen moeders en stiefmoeders is er in Nederland niet. In Amerika is wel gevonden dat de relatie tussen moeders en stiefmoeders problematischer is dan die tussen vaders en stiefvaders. Dat heeft verschillende redenen. Zo zijn stiefmoeders gemiddeld jonger dan moeders en dus minder ervaren en dat kan tot conflicten leiden. Stiefvaders zijn niet jonger dan vaders, dus daar speelt dit punt niet. Stiefmoeders hebben bovendien een grotere opvoedtaak dan stiefvaders, en daardoor een grotere kans op meningsverschillen met de uitwonende ouder. Uitwonende moeders zijn een grotere uitzondering dan uitwonende vaders, en worden daarom kritischer bekeken. Tenslotte hebben kinderen in vadergezinnen gemiddeld meer problemen dan kinderen in moedergezinnen. Daarom zijn ze ook vaak bij vader gaan wonen. Dit alles betekent dus dat het voor stiefmoeders en moeders moeilijker is een goede band op te bouwen dan voor stiefvaders en vaders.

Uit onderzoek is wel bekend hoe het gaat met de kinderen uit stiefmoedergezinnen. Gemiddeld iets minder goed dan met kinderen uit stiefvadergezinnen. Kinderen met een stiefmoeder hebben, vergeleken met kinderen met een stiefvader, meer last van angst- en depressieve gevoelens, ze zijn iets agressiever en hebben een wat lager zelfbeeld. Dat heeft zowel te maken met het feit dat die problemen er al waren voor de scheiding, maar ook met de ingewikkelde positie van stiefmoeders in vadergezinnen. De vaders in die gezinnen kunnen daar veel aan doen. Zij zijn de spil in het nieuwe gezin en moeten de stiefmoeder steunen haar rol te vinden. Bovendien moet hij (expliciet in de nieuwe wet) het contact tussen de kinderen en hun uitwonende moeder ondersteunen. Gelukkig is er steeds meer informatie en hulp beschikbaar, bijvoorbeeld bij de Centra voor Jeugd en Gezin.

Kinderen kunnen best meer dan 2 ouders aan. Zij groeien het meest voorspoedig op als er weinig conflicten zijn tussen alle (stief)ouders. King heeft in de VS het belang onderzocht van ‘biologische’ ouderbanden en ‘residentiele’ ouderbanden. Zoals ook al eerder is aangetoond gedijen kinderen het beste in een stabiel gezin. Als dat een stiefgezin is, staat de positie van de biologische ouder (moeder of vader maakt geen verschil) centraal. Maar een goede band met de inwonende stiefouder (weer stiefvader of stiefmoeder maakt niet veel uit) is ook belangrijk. Belangrijker vaak dan de band met de uitwonende ouder. Om met King te spreken: residentiele ouderbanden zijn erg belangrijk voor kinderen.

Dat brengt me terug naar de nieuwe wet van 1 maart. Daarin staan de belangen van de biologische ouders centraal. Er is weinig rekening gehouden met de komst (en het blijven) van de stiefouder. Anders gezegd alles draait om het biologische ouderschap en nauwelijks om het residentiele ouderschap. Toekomstige wetgeving zal meer rekening moeten houden met het feit dat steeds meer kinderen meer dan 2 ouders hebben of krijgen. En alle soorten ouders, inclusief moeders en stiefmoeders, zullen moeten leren dat zij met elkaar kunnen overleggen, in hun eigen belang maar ook in het belang van hun kinderen.

Door Ed Spruijt
Uit Nieuw Gezin, jaargang 9, nummer 65 – juni 2009