Co-ouderkinderen

Juni 2012 

Co-ouderkinderen

Ed Spruijt

Bijna alle scheidingskinderen zijn eigenlijk ‘heen-en-weer kinderen’. Dat is nu eenmaal in de praktijk de consequentie van een ouderlijke scheiding. Moeder en vader gaan uit elkaar en de meeste kinderen blijven wonen bij de ene ouder en gaan af en toe naar de andere. Maar er zijn twee uitzonderingssituaties. Ongeveer 15 procent van de scheidingskinderen heeft helemaal geen contact meer met de uitwonende ouder en woont dus steeds op één adres. En een paar procent van de scheidingskinderen  blijft in het ouderlijk huis wonen terwijl de ouders gaan pendelen: birdnesting of – zoals de Vlamingen het noemen – vogelnestverblijf, heen-en-weer ouders.

Ongeveer 75 procent van de kinderen blijft na de scheiding bij moeder wonen. Dat is de meest voorkomende situatie. Na een paar jaar heeft de helft van de moeders weer een nieuwe partner: het stiefvadergezin is begonnen. De meeste kinderen die bij moeder wonen, gaan een dag per week of een weekend per veertien dagen naar vader. Hij woont al vaak weer met een nieuwe partner: de parttime of weekendstiefmoeder. Maar een snel groeiende groep scheidingskinderen, nu al ongeveer 20 procent, gaat afwisselend wonen bij moeder en bij vader: co-ouderschap. Dat heeft ook met de wetgever te maken: gelijkwaardig ouderschap van de biologische ouders na de scheiding wordt sterk gepropageerd.

Co-ouderkinderen zijn de echte ‘heen-en-weer’ kinderen. Er zijn weer allerlei varianten in die gezinnen. Soms wonen zowel moeder als vader (nog) zonder partner (20 procent), soms heeft moeder een nieuwe vriend en woont vader nog zonder vriendin (ook 20 procent), datzelfde kan omgekeerd: vader een partner en moeder (nog) niet (ook 20 procent). De meest voorkomende situatie in co-oudergezinnen (de overige 40 procent) is dat beide biologische ouders een nieuwe partner hebben: twee stiefgezinnen dus. De kinderen wonen de ene week bij moeder en stiefvader en de andere week bij vader en stiefmoeder. Dit zijn dus halftime stiefouders.

Hoe gaat het nu met de kinderen (en hun ouders) in al deze situaties? Uit onderzoek is bekend dat kinderen in onze cultuur het beste kunnen opgroeien met hun twee tevreden biologische ouders. Maar dat is voor de meeste lezers van dit blad, inclusief de auteur van deze column, een gepasseerd station. Gelukkig groeien de meeste scheidingskinderen – na een vervelende periode – weer voorspoedig op. Maar als de biologische ouders ruzie blijven maken en de stiefouder(s) daar nog een schepje boven op doen, is dat voor kinderen niet best. Een groot voordeel van co-ouderschap is dat co-ouders gemiddeld minder ruzie maken. Ouders moeten immers in staat zijn afspraken te maken over het wonen in twee huizen.

Sommige deskundigen zijn van mening dat co-ouderschap niet zo goed is voor kinderen. Opgroeien in twee huizen zou betekenen dat kinderen geen hechte basis krijgen omdat zij steeds moeten wisselen. Deze gedachte wordt echter niet door onderzoek ondersteund. Kinderen kunnen het wonen in twee huizen wel aan, mits de ouders goede afspraken maken en de situatie enigszins stabiel is. En dat laatste vergt soms veel van de ouders. Want zij vinden een nieuwe liefde niet altijd naast de deur en willen daarom soms verhuizen. En dat kan lastig zijn met het oog op de school en de vriendjes van de kinderen en natuurlijk de woonplaats van de andere ouder. Co-ouders moeten immers bij elkaar in de buurt wonen, bijvoorbeeld omdat de school vanuit beide adressen bereikbaar moet zijn.

Uit Vlaams en Nederlands onderzoek blijkt dat veel co-ouderkinderen vanaf zo’n jaar of 13 weer kiezen voor een vast adres. Zij gaan steeds meer hun eigen leven leiden en doen dat het liefste vanuit een vaste woon- en verblijfplaats. Zij bepalen dan steeds vaker zelf wanneer zij naar het ‘andere’ gezin gaan. Vergeleken met scheidingskinderen die in één gezin wonen, gaat het met co-ouderkinderen goed. Dat komt vooral omdat hun ouders nog redelijk met elkaar kunnen overleggen. En weinig ouderlijke conflicten is voor kinderen (en hun ouders!) altijd de beste situatie. Natuurlijk klagen heen-en-weer kinderen wel over het gesleep met spullen en dat voortdurende gewissel van adres, maar als de ouders en stiefouders maar goede afspraken maken, vinden zij het  allang best.

Kijken we tenslotte nog even naar de vier verschillende gezinssituaties waar co-ouderkinderen mee te maken kunnen krijgen, dan blijkt dat de minst complexe situatie (twee eenoudergezinnen) de eerste keus is. De meest complexe situatie: twee stiefgezinnen, is voor kinderen ingewikkelder en leidt begrijpelijkerwijs tot iets meer problemen. Maar voor (stief)ouders betekent co-ouderschap wel een verlichting: na een drukke week met de kinderen volgt weer een week die rustiger is. Behalve natuurlijk als beide partners al kinderen hebben en soms ook nog gezamenlijk kinderen krijgen. Maar dan moet iedereen bijna wel een eigen digitale agenda hebben.

Bronnen:

Mortelmans, D., Pasteels, I., Bracke, P., Matthijs, K., Van Bavel, J., & Van Peer, C. (Eds.), Scheiding in Vlaanderen. Leuven / Den Haag: Acco.

Spruijt, E., & Kormos, H. (2010). Handboek scheiden en de kinderen. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

 

Categorieën: Artikel kwartaalblad